Open brief aan de voorzitter en de leden van de tweede kamer

Utrecht, 5/10 2001

Geachte voorzitter, leden van de Tweede Kamer,

Graag vragen wij uw aandacht voor het volgende. In januari 1999 verzocht Spanje de uitlevering door Nederland van de Baskische politieke vluchteling en voormalig vakbondsleider Esteban Murillo Zubiri. De heer Murillo werd door de Spaanse autoriteiten van hulp bij een ETA-aanslag in 1982 verdacht. Bij beschikking van 19 mei 2000 besloot de Minister van Justitie de verzochte uitlevering toe te staan. Naar aanleiding van de beschikking, en de procedure die daartoe leidde, werden door verschillende politieke partijen kamervragen gesteld (1). De heer Murillo Zubiri werd op 27 juli 2000 aan Spanje uitgeleverd. Na de uitlevering - op 31 mei 2001 - verzocht de Spaanse ministerraad uitbreiding van de uitlevering van de heer Murillo. De Spaanse autoriteiten willen de heer Murillo vervolgen voor andere feiten dan waarvoor hij door Nederland is uitgeleverd. Voor deze zogenaamde 'doorbreking van het specialiteitsbeginsel' heeft Spanje krachtens artikel 14 lid 1 EUV toestemming nodig van Nederland. De minister van justitie adviseerde 10 augustus 2001 voornoemde toestemming te verlenen. De heer Murillo heeft tegen deze beschikking een kort geding aangespannen, deze dient op donderdag 11 oktober aanstaande. Wij menen evenwel dat hier niet alleen een juridische doch ook een politieke toetsing plaats dient te vinden. Vandaar dat wij ons tot u, volksvertegenwoordiging en controlerende macht, richten.

Wij zijn van mening dat de door Spanje beoogde vervolging van Murillo en de daarmee samenhangende doorbreking van het specialiteitsbeginsel niet door de beugel kan. De bewijslast tegen de heer Murillo is flinterdun. De beschuldigingen tegen hem waren en zijn enkel gebaseerd op later weer ingetrokken, na marteling verkregen verklaringen van medeverdachten. Er zijn daarmee onvoldoende gronden om de heer Murillo te vervolgen. Dat Spanje dit desalniettemin toch doet, is een kwalijke zaak. Nederland behoort daar niet aan mee te werken. Hier komt bij dat de heer Murillo al meer dan een jaar geleden is uitgeleverd terwijl er in de zaak waarvoor zijn uitlevering is gevraagd tot op heden hoegenaamd niks is gebeurd.

De bewijzen die rechter Garzon opvoert om de doorbreking van het specialiteitsbeginsel te rechtvaardigen zijn niet nieuw. De zaak waarin hij de heer Murillo wil vervolgen is op precies hetzelfde verhoor gebaseerd als de zaak waarvoor uitlevering werd gevraagd. De heer Garzon laat in zijn verzoek na duidelijkheid te scheppen omtrent de nieuwe vervolging. Ook blijft onduidelijk waarom deze feiten zijn verzwegen tijdens de uitleveringsprocedure en waarom nu alsnog tot vervolging is besloten inzake de "nieuwe" bewijzen. Het lijkt er sterk op dat de heer Garzon door zijn handelswijze poogt het Nederlandse uitleveringsrecht te omzeilen (2).

In zijn advies tot het verlenen van de gevraagde toestemming, leunt de minister dan ook te zwaar op het zogeheten vertrouwensbeginsel. De minister leunt zo zwaar op dit beginsel dat amper gezegd kan worden dat hij überhaupt een afweging heeft gemaakt. De minister gaat zo voorbij aan zijn verplichtingen voortkomend uit het Nederlandse én Europese uitleveringsrecht. Bovendien is het vertrouwen in Spanje misplaatst. Spanje is een notoir schender van de in het EVRM neergelegde rechtsbeginselen. Alleen al het feit dat de heer Murillo nog immer in voorarrest zit zonder dat er ook maar een begin van een rechtszaak is gemaakt, is een flagrante schending van het EVRM. De vele malen dat Spanje - zowel in het verleden als recentelijk - is veroordeeld wegens onder andere folteringen en oneerlijke rechtsgang laten we dan nog buiten beschouwing.

We begrijpen dat de bereidheid om Spanje te helpen in eerste instantie groot zal zijn. De aanslagen van ETA vervullen een ieder met afschuw. In dat licht werkt men op Europees niveau aan het afschaffen van de bestaande uitleveringsprocedures binnen de Europese Unie voor verdachten van, onder andere, terrorisme. Het is aannemelijk dat dit proces na de gruwelijke gebeurtenissen in de Verenigde Staten in een stroomversnelling zal raken. Toch zijn wij van mening dat het onderhavige geval duidelijk maakt dat het afschaffen van het Nederlandse uitleveringsrecht in dit soort gevallen geen goede zaak is. Eén ding is dat iemand verdacht wordt van terrorisme, iets anders is dat iemand daar ook daadwerkelijk schuldig aan is. Het is het recht dat dit uit hoort te wijzen en het Nederlandse uitleveringsrecht behoort daar een onderdeel van te zijn. De verschillen tussen de juridische praktijk in Nederland en Spanje zijn groot. Voornoemde termijn van voorarrest vormt daar al een indicatie van. Een ander verschil is dat in Spanje gemarteld wordt. Nog een verschil is dat in Spanje zeer regelmatig mensen worden opgepakt wegens terrorisme om na een half jaar of langer weer te worden vrijgelaten zonder dat er een proces heeft plaatsgevonden. Afschaffing van het uitleveringsrecht in zaken als de onderhavige betekent afschaffing van elke vorm van controle door de Nederlandse staat op de rechtmatigheid van vervolging van door Nederland uitgeleverde personen.

Wij gaan verder niet in op de vele juridische bezwaren die aan de beschikking van de minister kleven. De heer Murillo heeft een kort geding tegen de Nederlandse Staat aangespannen waarin deze bezwaren naar voren worden gebracht. Wél willen wij nog opmerken dat steun voor de Spaanse aanpak van het conflict met Baskenland niet vanzelfsprekend zou moeten zijn. Zolang Spanje weigert in te gaan op het onderliggende politieke conflict - dat wel degelijk bestaat - is een zuiver repressieve aanpak van het conflict niet alleen onrechtvaardig maar vooral ook contraproductief. In plaats van het verkrijgen van hulp bij de huidige aanpak dient Spanje door andere landen gestimuleerd te worden om een meer duurzame oplossing van de bestaande problemen te zoeken. Het effect dat een dergelijk stimuleren van buitenaf heeft zien we in Noord-Ierland waar, ondanks de vele problemen, gezocht wordt naar een echte oplossing. Ondanks de enorme meningsverschillen tussen de verschillende partijen heeft men daar ingezien dat geen der partijen het conflict gewapenderhand kan winnen waardoor een dialoog vroeg of laat nodig zal zijn. Dit inzicht zal op den duur ook in Spanje en Baskenland doorbreken. Hoe meer Spanje in haar repressieve aanpak wordt ondersteund, hoe langer zij van de fictie uit zal gaan dat het conflict door middel van repressie is op te lossen.

Wij hopen dat u het bovenstaande in overweging neemt en dat u de minister zult aanspreken op zijn beslissing, die naar onze mening de verkeerde is.

Voor meer informatie en/of vragen kunt u contact opnemen met onderstaande gegevens. Door omstandigheden zijn we helaas de komende weken slechts op deze manier bereikbaar.

Hoogachtend,

Baskenland Informatie Centrum Postbus 2884 3500 GW Utrecht

(1) Kamervragen met antwoord 1999-2000, nrs. 1172, 1517, 1632, 1716 en 1764.

Ga terug naar index