De nationale kwestie anno 2000
(Koen van de Meulen )

Rond 1900 werd in linkse kringen in Europa volop gediscussieerd over "de nationale kwestie". Wat moest links met het snel opkomende nationalisme? Was deze sterk mobiliserende ideologie een bedreiging voor het socialistische gedachtengoed of lag hier een mogelijkheid om de machtsbasis van de linkse ideologie te vergroten? Een eeuw later lijkt deze kwestie actueler dan ooit. De nationalistische oorlogen in de Balkan en het oprukken van extreem-rechts vragen om een links antwoord. Na het verdwijnen van het "reëel bestaande socialisme" (lees: dictatoriaal staatskapitalisme) met zijn marxistisch-leninistische ideologie, waarin het principe voorop stond van "iedere natie haar eigen staat", ligt er nu een kans om de linkse ideologie op dit punt in anti-nationalistische richting te verscherpen en te versterken.

Het laatste jaar heeft De Fabel van de illegaal, een radikaal-linkse organisatie in Leiden die onder meer opkomt voor de belangen van illegaal gemaakte migranten en vluchtelingen, veel aandacht besteed aan verrechtsende tendensen binnen linkse campagnes. Daarbij speelt kritiek op nationalisme een belangrijke rol. Zo nam De Fabel van de illegaal stelling tegen het Koerdische en het Baskische bevrijdingsnationalisme. Inmiddels is er in Nederland een discussie ontstaan naar aanleiding van nationalistische elementen in de solidariteitscampagne rond de Baskische activist Esteban Murillo, die door de Nederlandse staat gevangen wordt gehouden en uitgeleverd dreigt te worden aan Spanje. Het debat spitst zich toe op de vraag of er zoiets als een "goed" links nationalisme bestaat. Volgens de mensen van De Fabel van de illegaal zijn "volken" niet meer dan historisch traceerbare sociale constructies. Links en nationalisme bijten elkaar. De solidariteitsgroep die Murillo ondersteunt, stelt daarentegen dat nationalisme wel met linkse denkbeelden valt te combineren. Hoog tijd voor een verdieping van het debat, vindt De Fabel van de illegaal.

Naties en nationalisme

"Naties maken geen staten en nationalisme, maar omgekeerd." Aldus de Engelse historicus Eric Hobsbawm in zijn boek "Natie en nationalisme sedert 1780". Daarin beschrijft hij het ontstaan en de ontwikkeling van de begrippen "natie" en nationalisme. Hij bouwt daarmee voort op het werk van Gellner en Anderson die uitgebreid hebben geschreven over de mythe van "natie" en nationalisme. "Nationalisme is niet het ontwaken van naties tot zelfbewustzijn: het vindt naties uit waar zij niet bestaan", schrijft Gellner. Ze gaan ervan uit dat "naties" en ook "volken" niet natuurlijk zijn, maar worden gemaakt. In tegenstelling tot wat nationalisten ons willen doen geloven, vormen "naties" en "volken" geen spil in de geschiedenis van de mensheid. Tot 200 jaar terug kon men zich weinig voorstellen bij het idee "natie". Men voelde zich verbonden met de eigen familie, dorp of stad, gilde en sociale stand. Maar allerminst met een abstracte gemeenschap als een "natie". Het is dan ook moeilijk om een definitie van het begrip "natie" te geven, omdat de betekenis van dit woord door de tijd heen is veranderd. Waar het ten tijde van de Franse Revolutie stond voor "het volk", louter in de zin van de bewoners van een territorium, werd een "natie" later gedefinieerd aan de hand van factoren als "etniciteit", taal en cultuur. Deze laatste betekenis heeft het begrip "natie" ook in dit artikel.

Patriottisch nationalisme

Aan het einde van de achttiende en gedurende de negentiende eeuw komt de moderne staat op. Dat bleek voor de heersende klasse een buitengewoon efficiënte bestuursvorm. Het relatief plotselinge ontstaan ervan bracht echter wel een legitimiteitsprobleem met zich mee. Vroeger hielden religie en de sociale hiërarchie van het feodale stelsel de mensen onder de duim. Dat paste niet meer binnen de nieuwe dominante ideologie van het liberalisme en kon zelfs een efficiënt functioneren van het kapitalisme in de weg staan. De ideologie van het nationalisme bleek een geschikt middel om de loyaliteit aan de staat verder te versterken, en zo ook de kracht van de staat. Men ontwikkelde een gemeenschappelijke taal die door het hele land gesproken werd om zo het staatsapparaat efficiënter te maken en om een fictief samenhorigheidsgevoel te creëren onder de bevolking. Daarnaast construeerde men een gezamenlijke geschiedenis en tal van tradities. De bedoeling was dat men zich ging zien als onderdeel van het "patria" ofwel het vaderland, en niet persé als lid van een "natie" of "volk". Het beste voorbeeld hiervan is de Verenigde Staten. Met behulp van dit "patriottisch" nationalisme werden Frankrijk en Engeland machtige eenheidsstaten. In alle gevallen gold: eerst was er een staat, toen pas de "natie". Dit is precies het tegenovergestelde van wat machthebbers en nationalisten ons willen doen geloven.

Xenofoob nationalisme

Eind negentiende eeuw kwam er een volkser nationalisme op dat niet per definitie verbonden was met een staat. Waar eerst taal en cultuur centraal stonden, werd "etniciteit" ook steeds meer een criterium voor het "natie zijn". Dit xenofoob nationalisme ontleende zijn kracht voornamelijk aan het definiëren van "de ander". Een zondebok buiten de eigen "natie" werd aangewezen als oorzaak voor alle mogelijke ellende. Dat konden minderheden in eigen land zijn, maar ook andere "naties" of "kosmopolieten". De arbeidersklasse zou zich moeten verzoenen met de kapitaalbezitters. Ze zouden immers allemaal tot dezelfde "natie" behoren. Economische problemen zouden de schuld zijn van joden of arbeidsmigranten. Of, zoals in veel rechtse anti-vrijhandelsretoriek, van arbeiders in andere landen die goedkoper produceren. Staten schuwden het gebruik van dit xenofoob nationalisme niet. De Duitse staat baseerde zich zelfs voor een deel op dit type nationalisme. Het leidde in de twintigste eeuw ook tot twee nationalistische wereldoorlogen en verschrikkelijke genociden. Dit xenofobe nationalisme vormde ook altijd een bedreiging voor staten. Het separatisme kwam op en vierde hoogtij, en dat doet het nog steeds.

Lees verder